Naar de website schapenvoornatuur.nlContact Kennisbank

Historie schaapskuddes 

De oudste vermelding van het schapenhoeden staat in de Bijbel in Psalm 23 en in Johannes 10. Dit beschrijft de verstandhouding tussen herder en schapen.

In het oude Palestina leefden de herders met hun schapen in het veld. 's Nachts verbleven de schapen in een open omheinde ruimte (pen) in het veld. De pen was niet geheel afgesloten: de herders sliepen vóór de opening in het veld om de schapen te verhinderen eruit te lopen. 's Morgens riep iedere herder zijn eigen kudde om te gaan grazen  Daar was geen hond bij nodig, de honden hadden de taak om de kudde tegen roofdieren te beschermen.  

Toen de bevolking toenam en de landbouw zich verder ging ontwikkelen werden de herder minder nomadisch. Ze trokken samen met de schapen overdag naar de weidegebieden en ‘s avonds weer het dorp in naar de stallen. Dit was ook het moment dat de honden gebruikt werden om de schapen te begeleiden en te leiden. De schapen werden voornamelijk gehouden voor de wol  en mest, vlees was een bijproduct. Dit diende om de schrale gronden te bemesten. Om de mest te verzamelen was het makkelijker om de schapen ‘s nachts binnen een schapenschuur of schapenkooi bijeen te houden.

Het type schapen dat voor de mest gehouden werd, waren veelal heideschapen. Het heideschaap werd gekenmerkt door door een ranke bouw, was niet groot had een lange staart, had een korte vacht en leverde weinig melk. In 1850, voor de invoering van kunstmest, waren er in Nederland ongeveer 800.000 heideschapen op ongeveer 800.000 ha heide. Hiernaast kwamen er ook schapen langs wegen en dijken en in de duinen voor. Dit waren zowel heide-als grasschapen en deze keerdern niet altijd ‘s avonds naar huis terug.  

Met name in Drenthe waren er veel schapen. Op deze manier werd de heide onbewust in stand gehouden door het voortdurend afgrazen door de schapen. In het midden van de vorige eeuw is er begonnen met het op kleine schaal schaal experimenteren met herbebossing. Er vormden zich voor-en tegenstanders van de ontginning van de heide. In de jaren 1880-1890 was de strijd beslist ten gunste van de ontginning. Dit kwam met name voort uit de oprichting van de Heide Maatschappij en de opkomst van de kunstmest. Hierdoor verdwenen de heidevelden in snel tempo en daarmee de kudden heideschapen. Ze waren als enige mestproducent overbodig geworden. De herder met hun kudden en honden werden een zeldzaamheid.

De teruggang in aantallen heideschapen is snel gegaan. In Drenthe waren er rond 1850-1860 nog ongeveer 127.000 heideschapen; in de negen andere provincies ongeveer samen 670.000. Zeeland bezat geen heidevelden en dus geen heideschapen. In 1899 had Drenthe nog ongeveer 110.000 schapen, in 1910 nog maar een kleine 54.000 en in 1930 nog maar ongeveer 4.800. In de andere delen van Nederland ging het net zo. Tegenover deze snelle daling van het aantal heideschapen stond een sterke toename van het aantal grasschapen, met name het Texelse Schaap. 

De schapenkudden waren in verschillende delen van het land verschillend van grootte. De gemiddelde grootte in het zuidelijke en middelste deel van het land was ongeveer 60-100. In het Gooi en Drenthe was de gemiddelde kudde wel 1250-1300 schapen. Er waren drie soorten schaapskudden te onderscheiden: 1) meervoudig samengestelden kudden zoals in Drenthe en in het Gooi; 2) tweevoudig samengestelde kudden waarbij de herders de schapen van een boer hoedde, dit kwam bijvoorbeeld op de Veluwe veel voor; 3) enkelvoudige kuddengevorm door schapen van een boer en gehoed door een herder.

Wolfgang Jacobeit maakt in zijn omvangrijke werk “Schafhaltung und Schäfer in Zentral-Europa’ een iets andere indeling:

  1. Het totale bestand aan schapen van een dorpsgemeenschap als een grote kudde
  2. Het bezit aan schapen van een vereniging van verspreid wonende schapenhouders
  3. Het schapenbestand van een boerderij
  4. Het schapenbestand van een landgoed

Ook in Nederland hebben we deze vier typen van schapenhouderij gekend. Het schapenbestand van een boerderij kwam in Nederland het meeste voor.

Bronnen:

- Op de grote stille heide, een artikelenreeks van prof. dr L.F. Triebels em. Hoogleraar antropologie in Nijnmegen verschenen in het Clubblad van de Nederlandse Herdershonden Club vanaf september 1979.  

-Verslag Clinic over het hoeden van schapen door Lynette Milleville en Sarah Sawyer, 1993 voor de Nederlandse Herderhondenclub

             

     

 

Heeft u toevoegingen of aanpassingen voor deze pagina, laat het ons weten: