Naar de website schapenvoornatuur.nlContact Kennisbank

De seizoenen

Het seizoen is bepalend voor het werk van de schaapherder. De drukste periode is de zomer, de graasperiode. Een schaapherder werkt dan vaak zeven dagen per week tien uur per dag. In het voorjaar moet de kudde elk jaar opnieuw leren grazen. Tegen de zomer, als de temperaturen oplopen, worden de schapen geschoren. In de winter worden de schapen drachtig, bekijkt de schaapherder hoe groot de kudde volgend jaar moet zijn, en wordt er naar de aflammerperiode toe gewerkt.

In januari, februari en maart staan de schapen geheel of gedeeltelijk op stal en vindt het aflammeren plaats. Dit is een zeer intensieve periode voor de schaapherder. Als de schapen op stal staan, moeten ze worden bijgevoerd en moet de stal worden opgestrooid (als ze op stro staan).

De kudde kost in het voorjaar, de zomer en de herfst het minste geld, omdat de schapen dan betaald grazen. In de zomer verdient de schaapherder het geld voor de winter, voor het voer voor de drachtige schapen op stal en de lammertijd.

Scheren

Het scheren van de schapen gebeurt vandaag de dag door bedrijven die daarin gespecialiseerd zijn. Vaak organiseert de herder ter ere hiervan een schapenscheerfeest. Oorspronkelijk schoor men de schapen in mei na de ijsheiligen (14,15, en 16 mei). In juni kan het soms door de aanvoer van polaire lucht zeer koud zijn. Dit noemt men in de volksmond “schapenkou”, want de pasgeschoren schapen hebben het dan koud. 

 

Heeft u toevoegingen of aanpassingen voor deze pagina, laat het ons weten: