Naar de website schapenvoornatuur.nlContact Kennisbank

Rassen

Sommige rassen worden als zeldzaam beschouwd en men vreesde dat door economische fokkerij, deze unieke rassen verloren zouden gaan. Uit DNA onderzoek blijkt echter dat genetische zuiverheid niet bestaat. Fokken op exterieur (bouw) of productie eigenschappen, zoals vruchtbaarheid of melkgift, maskeren dit. Hierdoor lijken nakomelingen van fokdieren op hun ouders en lijkt het alsof raseigenschappen vast liggen.

Het is gebruikelijk de schapenrassen in Nederland in twee hoofdgroepen te onderscheiden: de schapen die uitsluitend gras eten en alleen op graslanden gehouden worden en heideschapen, die als enigen zich kunnen voeden met gras en heide of met heide alleen.

De groep grasetende schapen wordt doorgaans onderverdeeld in Texelse schapen en Friese schapen; oorspronkelijk kende men ook nog Zeeuwse schapen. Het Texelse schaap heeft men door kruising met Engelse rassen zo verbeterd dat het de andere grasschapen praktisch geheel verdrongen heeft. Dit type schaap heeft als kenmerk een korte staart, zwaarder gewicht, betere wol, meer vlees, hogere melkproductie en grotere vruchtbaarheid. In tegenstelling tot de heideschapen worden ze niet als kudden gehouden maar, evenals de koeien, in de weide.

De heideschapen onderscheidt men doorgaans in het Drentse, Veluwse en Kempische heideschaap. Het Drentse schaap kwam voor in het gebied van de Friese Wouden, Groningen, Drente, Overijssel en Gelderland. Het is een klein schaap met weinig wol, zeer sober in voedsel, weinig vruchtbaar, meestal niet meer dan één lam, maar met goed vlees. De rammen droegen vaak grote spiraalvormige horens. Het Veluwse heideschaap kwam voor op de Veluwe, in het Gooi, op de Utrechtse heide en in een deel van Overijssel. Het was groter dan het Drentse en droeg geen horens. De wol was iets beter. Het Kempische schaap kwam voor in Brabant en in Limburg. Het was een beetje kleiner dan het Veluwse en beter geschikt voor vleesproductie; de wol was iets korter en ook iets fijner dan die van de andere heideschapen. Al deze heideschapen waren langstaarten.

Bronnen 

Bekedam, .M., Herweijer, C.H. 1986. Schapenteelt en schapenziekten (3e druk). Wageningen: Uitgeverij Terra Zutphen, Groene Reeks.  

Op de grote stille heide, een artikelenreeks van prof. dr L.F. Triebels em. Hoogleraar antropologie in Nijnmegen verschenen in het Clubblad van de Nederlandse Herdershonden Club vanaf september 1979.   

Heeft u toevoegingen of aanpassingen voor deze pagina, laat het ons weten: